Inhoudsopgave

Rationaliteit

Stephen Pinker

WAT RATIONEEL DENKEN IS EN WAAROM WE HET MEER DAN OOIT NODIG HEBBEN

HOE RATIONEEL IS DIT DIER

Homo Sapiens -wijze mensachtige- heeft reeds veel kennis van de natuur weten te vergaren en zijn gemiddelde leeftijd zien stijgen van 30 naar 70 à 80 jaar. Dit cognitieve vermogen is niet voorbehouden aan westerse beschavingen: het San-volk in de Kalahariwoestijn bewijst dat het soorteigen is. Hun wijsheid is gebaseerd op rationeel denken dat tevens het milieu omvat. Evolutionair psychologen zien dat het menselijk vernuft de natuur te slim af is, met een combinatie van taal, groepsvorming en kennis.

Rationaliteit is een kist vol cognitieve instrumenten, redeneermethoden uit diverse vakgebieden, te gebruiken om doelen te bereiken. Onderzoek leert dat mensen rationeler worden naarmate de verstrekte informatie levendiger en relevanter is, wat aan de hand van voorbeelden in het boek wordt aangetoond. Het is daarin vooral van belang bijzaken i.r.t de vraagstelling te elimineren, Kahnemans 2e systeem te activeren én te blijven beseffen, dat onze intuïtie niet goed weet om te gaan met exponentiële groei, à la samengestelde intrest. Omgekeerd zullen pandemieën eens uitdoven.
Rationeel denken wordt belemmerd door onze neiging bewijzen te vinden bij overtuigingen die we al hebben en blind te blijven voor bewijs van het tegendeel. Toezicht op het naleven van regels kan logisch inzicht en waakzaamheid activeren. Logica is de kroon op menselijke kennis, geeft richting en vorm aan ons denken, ook over onbekende en abstracte onderwerpen.

De ‘drie-deuren-quiz’ toont dat we geneigd zijn kansen te verwarren met tendenties. Nieuwe informatie verkleint gebrek aan kennis en verandert de kansrekening (hier van 1:3 naar 1:2). Intuïtieve kansrekening berust op de voorstelbaarheid van kansen: hoe makkelijker voor te stellen, hoe waarschijnlijker die lijkt, een valkuil die conjunctiefout heet. Tekenend is ook, dat een vergezocht verhaal vaak met (te) veel details wordt opgetuigd en stokpaardjes mensen tot grote irrationaliteit kunnen brengen. Klassieke redeneerfouten -cognitieve illusies genoemd- komen voort uit overmoed, hang naar bijval, afleiding door details. De les is om systeem 1 niet altijd te vertrouwen, maar soms systeem 2 in te schakelen. Én om gebruik te maken van wat de wetenschap en de technologie ons bijvoorbeeld ter aanvulling op ons zichtvermogen bieden.

RATIONALITEIT EN IRRATIONALITEIT

Hoewel voor sommigen niet ‘cool’, lijkt toch het volgen van de rede geboden, d.w.z. het gebruik van kennis om doelen te bereiken, zowel in theorie (een idee) als praktisch. Redeneren op basis van afleidingsregels moet uitmonden in uitvoering: Doen. Betogen tegen de rede weerspreekt zichzelf en dat we zouden leven in het tijdperk van post-waarheid is een dooddoener. Bekrompen ideeën, vooroordelen en -ismen moeten weerlegd kunnen worden: ambitie moet tegen ambitie kunnen ingaan, verschillen van mening scheppen nieuwe opties. Regels van de rede laten zich invoeren in machines en computers, rationeel denken kan aan objectieve waarheden raken. Relativerende ‘uitruil’ tussen redelijk denken en sociale rechtvaardigheid of ethische en politieke kwesties is niet verdedigbaar. Wie zijn opponenten het zwijgen wil opleggen geeft er blijk van geen goede argumenten te hebben. Hume gaf al aan dat de rede zelf niet de doelen kiest, dat doen ieders motieven, emoties, gevoelens en verlangens, zij het, dat bij botsende belangen, de rede de concessies bepaalt. Evolutionair psychologen onderscheiden ‘directe’ en ‘ultieme’ (soort-gebonden) motieven.
Aangezien een mens tal van doelen nastreeft, bewust, dan wel voortgestuwd door zijn genen, gebruikt hij zijn verstand om prioriteiten te stellen en zo de ‘opbrengst’ te optimaliseren. Lukt het niet de juiste keuze te maken, dan wordt wel van emotioneel of irrationeel gedrag gerept. Ook speelt de tijd een rol bij behoeftebevrediging: nu of later (meer), zowel individueel als collectief voor overheidsbudgetten en lange-termijn-doelen. Odysseus paste al een techniek toe voor zelfbeheersing, liever dan te vertrouwen op zijn wilskracht op het moment suprême. Als de overheid deze techniek toepast wordt wel gesproken van libertair paternalisme. Niet (willen) weten kan soms heilzaam werken. De jury in een rechtbank moet onbevooroordeeld kunnen blijven, wetenschappers bewaken hun objectiviteit met dubbelblind onderzoek.
Kunnen gedachten niet alleen strategisch onverstandig zijn maar gewoon moreel slecht? Zo’n taboe is verboden prevalentie t.o.v. groepen en de verboden afweging, zoals commerciële orgaandonatie. In het begrotingsbeleid van de overheid is dit een reden om die afwegingen soms te verdoezelen. Een ketterse hypothese laat het concrete hier en nu los en probeert iemand tot een onethische reactie te verleiden. Ethische overtuigingen lijken -buiten het domein van de rede- op niet-rationele gronden te berusten, net als hartstochten Ze worden inderdaad onderscheiden van logische en empirische uitspraken. Sommigen binden ze aan God, maar meer algemeen is wederkerigheid als kenmerk gangbaar. Spinoza: wie door de rede worden geleid begeren voor zichzelf wat ze ook voor anderen begeren, Kant: handel volgens de stelregel, die universeel mag gelden, Rawls: de beginselen van rechtvaardigheid worden gekozen achter een sluier van onwetendheid. Evolutionair bezien moet een rationeel dier wel deel uitmaken van een gemeenschap, waarin plaats is voor zowel eigenbelang als altruïsme. Hoe redeloos soms ook, de rede die ook zichzelf stuurt, heeft vaak toch het laatste woord.

LOGISCH EN KRITISCH DENKEN

Logica leidt ware uitspraken af uit andere ware uitspraken. Deze deductieve logica is een krachtig hulpmiddel, hoewel slechts conclusies bereikt worden die al in de premissen vervat zijn. Formele logica gaat niet over de inhoud maar over de vorm van uitspraken. De symbolen die gebruikt worden zijn niet synoniem met de manier waarop ze in gewone gesprekken gebruikt worden, zoals ALS/als. Een geldige redenatie komt louter voort uit een juiste toepassing van afleidingsregels, een correcte omvat ook ware premissen. Scherp luisteren naar redenaties maakt het mogelijk fouten te signaleren en een formele reconstructie kan onuitgesproken premissen aan het licht brengen.
Normale gesprekken worden bij elkaar gehouden door intuïtieve connecties, ook al is de argumentatie niet volledig. Ervaren debaters weten dit en gebruiken het om een standpunt dat op los zand staat als solide logisch fundament te verkopen. Nummer 1 onder de informele drogredenen is de stroman, een karikatuur van de tegenstander en diens standpunten. Een real-time variant is de tactiek van ‘dus-u-zegt-eigenlijk’. De gehanteerde tactieken zijn verwant aan de cirkelredenatie, de informele drogreden waarbij als juist geldt wat nog bewezen moet worden. Wie aan zijn overtuiging wil vasthouden kan de bewijslast bij de ander leggen. Wie ‘de scherpste geesten ter wereld’ aanroept, hanteert het autoriteitsargument, ‘de meeste mensen die ik ken’ doet dienst als populistische drogreden. Een aanval op de persoon vervuilt elk debat. De genetische drogreden kritiseert de oorsprong, schuld door associatie, combineert beide. Populair is momenteel de affectieve drogreden: die maakt dat feiten pijnlijk of schadelijk heten.
Het fundamentele verschil tussen logisch-analytische en empirisch-synthetische proposities maakt, dat de wereld nooit door logica geregeerd zal worden. Een tweede reden is gelegen in het karakter van de formele logica: ze is formeel en bestaat uit louter symbolen. Logica is niet rationeel in die zin, dat de mens zich niet kan permitteren alles te negeren wat hij (al) weet. In bepaalde onnatuurlijke werelden als computerprogrammering en wiskunde heeft ze wel zin. Onderzoek bij ongeletterde volken heeft aangetoond, dat hun denken geworteld is in een rijkgeschakeerde realiteit. In moderne samenlevingen wordt geleerd verworven kennis soms niet te benutten en zich te richten op de premissen van een probleem. Wittgenstein toonde aan dat onze alledaagse begrippen zich niet doorslaggevend in categorieën laten indelen, zoals de logica eist. Voor andere als burger, eigenaar of echtgenoot lukt de afbakening wel. Een voorkeur voor zwart-wit beelden heeft geleid tot drogbeelden als niet voor <> dan tegen, etc.
Hoe denken we dan eigenlijk? Uitgangspunt is dat een intelligent systeem in de hersenen via neuronen en synapsen ontelbare signalen kan samenvoegen die op hun eigenschappen geselecteerd worden. De ‘programmering’ is en wordt daartoe in de praktijk tot stand gebracht. In computers is die rekenkracht -diepte-leren- al ontwikkeld tot kunstmatige intelligentie. Zijn neurale netwerken funderen voor de mens dus o.a. in zijn intuïtie, instinct en zijn zesde zintuig. Menselijke rationaliteit is echter een hybride systeem, dat -in 2- ook logisch kan redeneren.

KANSREKENING EN TOEVAL

God dobbelt niet volgens Einstein. De mens doet er goed aan bij het toeval in het leven en onvolledige kennis rationeel denken toe te voegen. De neiging om een niet-toevallig patroon aan te zien voor een niet-toevallig proces vormt in de geschiedenis van de menselijke dwaasheid een omvangrijk hoofdstuk. Er kunnen zich twee soorten gebeurtenissen voordoen die -praktisch- toeval zijn: 1.het vlindereffect: een vlindervleugel in Peru die een tornado veroorzaakt in Texas, 2. een muntje opgooien. Russell: waarschijnlijkheid is het belangrijkste concept van de wetenschap, niemand weet precies wat het is. De klassieke kansrekening stelt de kans op een even getal bij de worp met een dobbelsteen op 3:6= 0,5. Een subjectivistische interpretatie drukt het geloof in een even getal uit. Deze en andere interpretaties kunnen beïnvloed worden door vage mystieke noties over die ene uitzondering. Een doorgewinterde statisticus verwijst de betrokken gelovige door naar de psychiater. In de kansberekening wordt bij verkiezingen ook nog de last minute aardverschuiving meegenomen.
Mensen beoordelen de waarschijnlijkheid van gebeurtenissen aan de hand van het gemak waarmee zich in hun geest voorbeelden aandienen, Kahneman noemt dit principe de beschikbaarheidsheuristiek. Ze laten het verzamelen van relevante gegevens achterwege. De informatie die media aanbieden is sterk sturend in de meningsvorming.

Stephen Pinker

Tractatus

Ludwig Wittgenstein

LOGISCH-FILOSOFISCHE VERHANDELING

INLEIDING

De Tractatus, het resultaat van zeven jaar nadenken over logica door Wittgenstein, biedt een fundamenteel andere visie op taal, logica en wiskunde dan het werk van zijn leermeester Russell. Lezen is de essentie van zijn project proberen te begrijpen. Logica betekent hier niet de leer van juist argumenteren, maar staat voor een breder filosofisch onderzoek naar denken, taal en wereld. Stelling 4: de gedachte is de betekenisvolle zin: wie taal onderzoekt, onderzoekt ook het denken dat alleen maar over de wereld kan gaan: *de wereld is alles wat het geval is *de wereld is het geheel der feiten, niet der dingen *de wereld is door feiten bepaald, t.w. door alle feiten. Filosoferen is actief zijn, niet aanhoren. In betekenisvolle zinnen representeren wij de wereld, onze zinnen verwijzen dus. Begrijpen is weten wat het geval is als de zin waar is.

De logica valt niet direct van de taal af te lezen. Wittgenstein onderscheidt drie opties: *empirische uitspraak *tautologie/contradictie *betekenisloze sequentie van tekens. Hij trekt daaruit de conclusie dat de meeste zinnen en vragen die over filosofische zaken geschreven zijn niet onwaar, maar onzinnig zijn. Wie het boek als lezer begrijpt, herkent de inhoud als onzinnig, moet die overstijgen om de wereld juist te zien en om geen (filosofische) vragen meer te stellen.

De Tractatus toont dat de vraagstelling van filosofische problemen berust op een verkeerd begrip van de logica van onze taal; voor het uiten van gedachten vanuit het denken in taal geldt dus een grens

1. De wereld is alles wat het geval is, als geheel van alle feiten, niet der dingen.

2. Wat het geval is -het feit- is het bestaan van standen van zaken, d.w.z. verbindingen tussen zaken/voorwerpen/dingen. In de logica is niets toevallig, alle opties zijn haar feiten. Het ding is zelfstandig in zoverre het samenhangt met een stand van zaken, die ook zijn vorm insluit. De dingen vormen de substantie van de wereld, vrij van wat het geval is. De configuratie van de dingen vormt de stand van zaken en is het wisselende, onbestendige. Wij maken voor onszelf beelden van de feiten, als beelden van de werkelijkheid. Wat een beeld weergeeft is zijn betekenis. De samenhang van de elementen noemen we structuur.

3. Het logische beeld van de feiten is de gedachte; een ‘stand van zaken is denkbaar’ wil zeggen, we kunnen ons er een beeld van vormen. Alle ware gedachten, uitgedrukt met een teken, zijn samen een beeld van de wereld; de naam, als oer-teken, vult de context aan. , De voorwerpen kan men alleen noemen, situaties alleen beschrijven.

4. De gedachte is de betekenisvolle zin; het geheel der zinnen is de taal. De omgangstaal is een deel van het menselijk organisme en even gecompliceerd als dit. De mens kan talen construeren, waarmee elke betekenis uitgedrukt kan worden, zonder benul van wat elk woord betekent. Het is onmogelijk de logica van de taal rechtstreeks aan de taal af te lezen, hij vermomt de gedachten. De meeste zinnen en vragen die over filosofische zaken geschreven zijn, zijn niet onwaar, maar onzinnig en dus helemaal niet te beantwoorden, omdat filosofen de logica van de taal veelal niet begrijpen. Het betreft hier vragen over b.v. het goede en het schone. De ware zin toont hoe het zit, toont ook de logische vorm van de werkelijkheid; die begrijpen is weten wat het geval is. De diepste problemen zijn eigenlijk geen problemen. Alle filosofie is ‘taalkritiek’, zij dient om gedachten te verhelderen.

5. De zin is een waarheidsfunctie van elementaire zinnen, de elementaire zin is een waarheidsfunctie van zichzelf. De vrijheid van de wil bestaat daarin, dat toekomstige handelingen nu nog niet gekend kunnen worden. De tautologie volgt uit alle zinnen: ze zegt niets. De contradictie is de uiterste grens van de zinnen, de tautologie hun substantie-loze middelpunt. De structuren van zinnen staan in interne relaties tot elkaar. De logica vult de wereld, de grenzen van de wereld zijn ook haar grenzen. De grenzen van mijn taal betekenen de grenzen van mijn wereld. Wat we niet kunnen denken, dat kunnen we niet denken, we kunnen dus ook niet zeggen, wat we niet kunnen denken. Deze opmerking geeft de sleutel tot het beantwoorden van de vraag in hoeverre het solipsisme een waarheid is. Wat het solipsisme namelijk bedoelt, is helemaal waar, alleen laat het zich niet zeggen, maar toont het zich. De wereld en het leven zijn één; ik ben mijn wereld (de microkosmos). Het denkende, voorstellende subject, is er niet. Het subject behoort niet tot de wereld, het is een grens van de wereld. Geen enkel deel van onze ervaring is a priori. Alles wat we zien of beschrijven zou ook anders kunnen zijn. Er is evenmin een ordening van de dingen a priori. Hier ziet men, dat het solipsisme -en zijn ‘ik’- streng doorgevoerd, met het zuivere realisme samenvalt. En daarmee is er een manier waarop in de filosofie niet-psychologisch- van het ik sprake kan zijn. Het ‘ik’ komt binnen in de filosofie doordat ‘de wereld mijn wereld is’. Het filosofische ik is niet de mens, is niet het menselijke lichaam, of de menselijke ziel, waarover de psychologie handelt, maar het metafysische subject, de grens - geen deel van de wereld.

6. De logica is geen leer, maar een spiegelbeeld van de wereld, de logica is transcendentaal. De wiskunde is een logische methode, de zinnen van de wiskunde zijn vergelijkingen, dus schijnzinnen. De zin van de wiskunde drukt geen gedachten uit. In het leven is het nooit de wiskundige zin die we nodig hebben, maar we benutten die alleen maar om uit zinnen die niet tot de wiskunde behoren tot andere te concluderen die evenmin tot de wiskunde behoren. De logica van de wereld, die door de zinnen van de logica in tautologieën getoond wordt, wordt door de wiskunde in vergelijkingen getoond. En dat de zinnen van de wiskunde bewezen kunnen worden, dat betekent niets anders, dan dat hun juistheid in te zien valt, zonder dat datgene wat zij uitdrukken zelf met de feiten op juistheid hoeft te worden vergeleken. Het onderzoeken van de logica betekent het onderzoeken van alle wetmatigheid. En buiten de logica is alles toeval. Dat de logica a priori is, zegt, dat niet onlogisch gedacht worden kan.
De zin van de wereld moet buiten haar liggen. In de wereld is alles zoals het is en gebeurt alles zoals het gebeurt; er is in haar geen waarde en als die er wel zou zijn, dan zou deze geen waarde hebben. Al het gebeuren en zo-zijn is toevallig. Het niet-toevallige moet buiten de wereld liggen. Daarom kunnen er ook geen zinnen van de ethiek zijn: die zinnen kunnen niets hogers uitdrukken. Het is duidelijke dat de ethiek zich niet laat uitspreken, de ethiek is transcendentaal. De ethiek heeft niets met loon en straf in de gewone zin van doen. Er moet wel een soort ethisch loon en een soort ethische straf zijn, maar beide moeten in de handeling zelf liggen. Van de wil als drager van het ethische kan niet gesproken worden. En de wil als fenomeen interesseert slechts de psychologie. De wereld is onafhankelijk van mijn wil.
De hele moderne wereldbeschouwing is gebaseerd op de misvatting, dat de zogenaamde. natuurwetten de verklaring van de natuurverschijnselen zijn. De wereld van de gelukkige is een andere dan die van de ongelukkige. Zoals ook bij de dood die wereld niet verandert, maar ophoudt. De dood is geen gebeurtenis van het leven, de dood beleeft men niet. Hij die in het heden leeft, leeft eeuwig. Ons leven is net zo eindeloos als ons gezichtsveld grenzeloos is. De oplossing van het raadsel van het leven ligt buiten ruimte en tijd. God openbaart zich niet in de wereld. De feiten behoren allemaal slechts tot de opgave, niet tot de oplossing. Niet hoe de wereld is, is het mystieke, maar dat zij is. De aanschouwing van de wereld in het licht van de eeuwigheid is haar aanschouwing als begrensd geheel. (Spinoza)
Van een antwoord dat men niet uitspreken kan, kan men ook de vraag niet uitspreken. Het raadsel bestaat niet. Wanneer een vraag zich überhaupt laat stellen, dan kan zij ook beantwoord worden. Scepticisme is onweerlegbaar, maar overduidelijk onzinnig, wanneer het betwijfelen wil waar niet gevraagd kan worden. Want twijfel kan slechts bestaan waar een vraag bestaat; en dit slechts waar iets gezegd kan worden. Wij voelen dat zelfs wanneer alle mogelijke wetenschappelijke vragen beantwoord zijn, onze levensproblemen nog in het geheel niet zijn aangeroerd. Weliswaar blijft er dan geen vraag meer over, maar precies dat is het antwoord. De oplossing van het probleem van het leven merkt men aan het verdwijnen van dit probleem. Er bestaan zeker onuitsprekelijke zaken. Dit toont zich, het is het mystieke.
De juiste methode van de filosofie zou eigenlijk deze zijn: niets te zeggen dan wat zich zeggen laat, dus zinnen van de natuurwetenschap - dus iets wat met filosofie niets van doen heeft- en dan steeds, wanneer een ander iets metafysisch wil zeggen, hem laten zien dat hij zekere tekens in zijn zinnen geen betekenis heeft gegeven. Deze methode zou voor de ander onbevredigend zijn - hij zou niet het gevoel hebben dat wij hem filosofie leerden - maar dit zou de enige strikt-juiste zijn.
Mijn zinnen verhelderen daardoor, dat hij die mij begrijpt ze uiteindelijk als onzinnig herkent, wanneer hij door hen -op hen- boven hen uitgeklommen is. (Hij moet zogezegd de ladder wegwerpen, nadat hij erop naar boven geklommen is) Hij moet deze zinnen overstijgen, dan ziet hij de wereld juist.

7. Waarvan men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen

Ludwig Wittgenstein
Scroll naar top